|
U bent hier :
Belgisch Stabiliteitsprogramma
Het vorderingensaldo en de overheidsschuld
Het vorderingensaldo
|
Het vorderingensaldo
(1)
Een beperkt tekort in 2007
Volgens de door het Instituut voor de Nationale
Rekeningen gepubliceerde ramingen werd het jaar 2007 afgesloten met een
beperkt tekort van 0,2% van het BBP. De realisaties bleven hiermee
achter op de vooropgestelde doelstelling van een overschot van 0,3% van
het BBP. Dit verschil wordt gedeeltelijk verklaard door het
niet-uitvoeren of het niet langer in ESR-termen in rekening brengen van
een belangrijk pakket van eenmalige maatregelen (voor ongeveer 0,4% van
het BBP). Het deficit komt volledig op rekening van de federale overheid
die een tekort liet optekenen van 1% van het BBP. De andere sectoren
realiseerden een overschot (de sociale zekerheid van 0,6% van het BBP,
de gemeenschappen en gewesten van 0,3% van het BBP) of minstens een
evenwicht (de lokale overheden).
Naar een evenwicht in 2008
De begroting 2008 wordt beïnvloed door een aantal
externe factoren. De economische context is minder gunstig dan de
voorgaande jaren. Het was maar mogelijk een definitieve begroting op te
stellen tegen de tweede helft van maart. De maatregelen voorzien in de
begroting kunnen dus slechts voor een goed half jaar effect hebben. De
regering heeft er toch voor geopteerd om een begroting in te dienen die,
na het tekort in 2007, opnieuw aansluit bij een structureel evenwicht.
Dit was maar mogelijk door een strikte beheersing van de uitgaven op het
niveau van de federale overheid en een bijdrage aan het evenwicht van de
verschillende deelsectoren.
Een beperkt gebruik van eenmalige maatregelen
Deze doelstelling moet niet enkel in zijn
conjuncturele context (een negatieve output gap) geplaatst worden.
Gezien de moeilijke politieke context en de beperkte tijdspanne waarover
de begroting 2008 loopt, is het onmogelijk het begrotingsevenwicht te
realiseren zonder eenmalige maatregelen. Deze bleven echter beperkt in
impact en werden geëvalueerd aan de hand van twee criteria:
Strikte beheersing van de uitgaven en ruimte
voor nieuwe initiatieven
De groei van de primaire uitgaven van de federale
overheid werd (in budgettaire termen) beperkt tot 1,9% in reële termen.
Deze stijging is grotendeels toe te wijzen aan de sterke toename van de
zogenaamde vergrijzingsuitgaven (2,5% in reële termen). De primaire
uitgaven buiten vergrijzing stijgen slechts met 1,4% in reële termen.
Indien ook gecorrigeerd wordt voor de groei in de uitgaven voor
ontwikkelingssamenwerking, stijgen de primaire uitgaven nog slechts met
0,78% in reële termen, wat dus lager is dan de reële economische groei
(+1,9%).
De federale regering heeft een enveloppe van 320
miljoen euro vrijgemaakt voor nieuwe initiatieven op sociaal-economisch
vlak. Enerzijds werden een reeks maatregelen ter ondersteuning van de
koopkracht genomen (verhoging minimumpensioenen, uitbreiding van het
stookoliefonds, verhoging van het belastingvrij minimum voor de laagste
inkomens,…) Anderzijds werden middelen vrijgemaakt voor de ondersteuning
van het activeringsbeleid en de aanmoediging van het wetenschappelijk
onderzoek.
Opbouw van overschotten in de periode 2009-2011
Rekening houdend met de uitdaging van de
vergrijzing stelt de regering zich tot doel om, vertrekkend van het
evenwicht in 2008, vanaf 2009 structurele overschotten te realiseren.
Tegen het einde van de legislatuur zouden deze moeten oplopen tot
minstens 1% van het BBP. Na een aanvankelijke afwijking zou de tegen het
einde van de legislatuur te bereiken doelstelling dicht aanleunen bij de
doelstelling opgenomen in de aangepaste wet op het Zilverfonds.
Artikel 2 van het vernieuwde Stabiliteits- en
groeipact verplicht de lidstaten van de Europese Monetaire Unie een
individuele budgettaire doelstelling op middellange termijn te
formuleren in functie van de nominale groei en de schuldgraad. De MTO
heeft een drieledige functie:
-
voorzien in een veiligheidsmarge ten
opzichte van de 3%-norm met betrekking tot het deficit;
-
een voldoende snelle evolutie naar
houdbaarheid garanderen;
-
voorzien in een zekere marge, onder meer
voor overheidsinvesteringen.
De Belgische overheid blijft vasthouden aan een
MTO van 0,5% van het BBP. Deze zou in 2009 gerealiseerd worden.
Uitwerken van een budgettair meerjarenplan
Tabel 4 bevat de doelstellingen en ramingen
inzake overheidsfinanciën voor de periode 2008-2011. De vorderingensaldi
voor de gezamenlijke overheid houden een duidelijk engagement in. De
gedetailleerde cijfers over de ontvangsten en uitgaven en de opdeling
van de normering naar subsectoren hebben de status van ramingen en hun
waarde is eerder indicatief. De toename van de fiscale en parafiscale
ontvangsten is geenszins een gevolg van nieuwe maatregelen, maar is toe
te schrijven aan de spontane evolutie van de ontvangsten bij ongewijzigd
beleid en aan het verbreden van de belastbare basis door het gevoerde
activeringsbeleid.
De regering zal in de loop van de maand juli een
begrotingscontrole houden. Bij de opmaak van de begroting 2009 zal ook
een voorafbeelding gemaakt worden voor de volgende jaren. Met de
gemeenschappen en gewesten zal onderhandeld worden over de bijdrage van
elke overheid, inclusief de lokale besturen.
|
TABEL 4
Budgettaire
vooruitzichten van de gezamenlijke overheid |
|
In % BBP |
2006
(in miljoen euro) |
2007
(in miljoen euro) |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
|
|
Vorderingensaldo van de
subsectoren |
|
1. Gezamenlijke overheid |
1.096 |
-574 |
0,3 |
-0,2 |
0,0 |
0,3 |
0,7 |
1,0 |
|
2. Federale overheid |
220 |
-3.396 |
0,1 |
-1,0 |
-0,6 |
-0,3 |
0,0 |
0,3 |
|
3. Gemeenschappen en gewesten |
621 |
940 |
0,2 |
0,3 |
0,1 |
0,0 |
0,0 |
0,0 |
|
4. Lokale overheid |
-717 |
15 |
-0,2 |
0,0 |
0,1 |
0,2 |
0,2 |
0,1 |
|
5. Sociale verzekeringsinstellingen |
971 |
1.866 |
0,3 |
0,6 |
0,4 |
0,4 |
0,5 |
0,6 |
| |
Gezamenlijke overheid |
|
6. Totale ontvangsten |
154.480 |
160.791 |
48,8 |
48,7 |
49,0 |
48,8 |
48,9 |
49,2 |
|
7. Totale uitgaven |
153.384 |
161.486 |
48,5 |
48,9 |
49,0 |
48,5 |
48,3 |
48,2 |
|
8. Vorderingensaldo |
1.096 |
-574 |
0,3 |
-0,2 |
0,0 |
0,3 |
0,7 |
1,0 |
|
9. Interestbetalingen (EDP) |
12.594 |
12.676 |
4,0 |
3,8 |
3,7 |
3,5 |
3,4 |
3,3 |
|
10. Primair saldo |
13.690 |
12.102 |
4,3 |
3,7 |
3,7 |
3,8 |
4,1 |
4,3 |
|
11. Eenmalige en tijdelijke
maatregelen |
2.260 |
-490 |
0,7 |
-0,1 |
0,0 |
0,0 |
0,0 |
0,0 |
| |
Belangrijkste
componenten van de ontvangsten |
|
12. Totale
belastingen |
96.232 |
99.343 |
30,4 |
30,1 |
30,4 |
30,1 |
30,2 |
30,3 |
|
(12=12a+12b+12c) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
12a. Belastingen op
de productie en de invoer |
41.708 |
42.777 |
13,2 |
12,9 |
13,1 |
13,0 |
- |
- |
|
12b. Belastingen op
het inkomen, vermogensbelasting, enz. |
52.363 |
54.341 |
16,5 |
16,4 |
16,6 |
16,5 |
- |
- |
|
12c. Kapitaalbelastingen |
2.161 |
2.225 |
0,7 |
0,7 |
0,7 |
0,7 |
- |
- |
|
13. Sociale
bijdragen |
49.743 |
52.551 |
15,7 |
15,9 |
15,9 |
16,0 |
- |
- |
|
14. Inkomsten uit
vermogen |
1.817 |
1.996 |
0,6 |
0,6 |
0,6 |
0,6 |
- |
- |
|
15. Andere
|
6.688 |
6.902 |
2,1 |
2,1 |
2,1 |
2,1 |
- |
- |
|
16=6. Totale
ontvangsten |
154.480 |
160.791 |
48,8 |
48,7 |
49,0 |
48,8 |
48,9 |
49,2 |
|
p.m.: globale
heffing |
141.319 |
146.992 |
46,8 |
46,6 |
47,0 |
46,8 |
47,0 |
47,2 |
| |
Belangrijkste
componenten van de uitgaven |
|
17. Consumptieve
bestedingen(bezoldigingen en intermediair verbruik) |
48.927 |
51.130 |
15,5 |
15,5 |
15,4 |
15,2 |
15,0 |
14,9 |
|
18. Sociale
uitkeringen |
70.938 |
74.594 |
22,4 |
22,6 |
23,0 |
23,0 |
23,0 |
23,1 |
|
19.
Interestlasten |
12.594 |
12.676 |
4,0 |
3,8 |
3,7 |
3,5 |
3,4 |
3,3 |
|
20. Subsidies |
5.540 |
6.515 |
1,7 |
2,0 |
2,0 |
1,9 |
1,9 |
1,9 |
|
21.
Bruto-investeringen in vaste activa |
5.324 |
5.579 |
1,7 |
1,7 |
1,7 |
1,6 |
1,6 |
1,8 |
|
22. Andere
|
10.259 |
10.992 |
3,2 |
3,3 |
3,4 |
3,3 |
3,4 |
3,3 |
|
23.
(=7) Totale uitgaven |
153.582 |
161.486 |
48,5 |
48,9 |
49,0 |
48,5 |
48,3 |
48,2 |
De bijdrage van de verschillende
deelsectoren
België heeft een federale staatsstructuur.
Bij wie de beslissingsbevoegdheid rust, verschilt naargelang de
materie. In principe zijn de gemeenschappen en gewesten autonoom
bevoegd voor hun begrotingsbeleid. De coördinatie van het
begrotingsbeleid tussen de federale overheid en de gemeenschappen en
gewesten wordt verzekerd enerzijds door een adviserend orgaan, de
Afdeling Financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën,
anderzijds door akkoorden gesloten tussen de federale overheid en de
gemeenschappen en gewesten. De Belgische ervaring leert dat een
systeem van duidelijke afspraken over het op elk niveau te
realiseren resultaat, gekoppeld aan de verantwoordelijkheid van de
verschillende deelsectoren, garant staat voor een succesvol
begrotingsbeleid.
In de voorbereiding van de begroting 2008
werd met de gemeenschappen en gewesten overleg gepleegd. Volgens het
akkoord gesloten op 19 februari 2008 zullen de gemeenschappen en
gewesten in 2008 een overschot realiseren van 530 miljoen euro (2).
Er wordt met de gemeenschappen en gewesten overleg gepleegd over hun
bijdrage voor de volgende jaren. In afwachting van de resultaten van
dat overleg, werd voor de daaropvolgende jaren uitgegaan van een
evenwicht.
De lokale overheden hebben na een tekort in
2006, het jaar 2007 afgesloten met een evenwicht, zelfs een klein
overschot. Normaal moet deze verbetering van de begrotingssituatie
zich de komende jaren verder doorzetten. Er wordt dan ook rekening
gehouden met een gestaag oplopend overschot van 0,1% van het BBP in
2008 over 0,2% van het BBP in 2009 en 2010. In de aanloop naar de
lokale verkiezingen in 2012 zou dit in 2011 opnieuw verminderen tot
0,1% van het BBP.
De sociale zekerheid zou in 2008 een
overschot realiseren van 0,4% van het BBP. Er werd van uitgegaan dat
dit overschot de daaropvolgende jaren gestaag zou oplopen tot 0,6%
van het BBP. Het saldo van de sociale zekerheid in de tabel is het
resultaat van een louter mechanische projectie van de ontvangsten en
uitgaven bij ongewijzigd beleid en loopt in niets vooruit op de
manier waarop de maatregelen die in het regeerakkoord werden
opgenomen geïmplementeerd zullen worden.
De saldi voor de federale overheid vloeien
voort uit de doelstelling op het niveau van de gezamenlijke overheid
en de vooropgestelde saldi voor de andere deelsectoren. Het tekort
van 0,6% van het BBP in 2008 moet worden omgezet in een overschot
van 0,3% van het BBP in 2011.
(1) Mede met het oog op
de beëindiging van de betwisting tussen de Belgische Staat en Eurostat
werd bij de opmaak van de begroting 2008 beslist om het Fonds voor
Spoorweginfrastructuur te consolideren binnen de overheidssector. De
cijfers inzake het vorderingensaldo, ontvangsten- en uitgavenstromen en
overheidsschuld houden zowel voor 2007 als voor de daaropvolgende jaren
rekening met een consolidatie van het Fonds voor Spoorweginfrastructuur.
(2) Het saldo van de
gemeenschappen en gewesten houdt nog geen rekening met de mogelijke
invloed op het saldo van de gemeenschappen en gewesten en de lokale
overheden van het “Lokaal pact” met de gemeenten afgesloten op
Vlaams niveau. Dit voorziet in een schuldovername van het Vlaamse
gewest van maximaal 100 euro per inwoner. Deze schuldovername is
geconditioneerd door een aantal verbintenissen van de lokale
besturen vooral inzake hun eigen fiscaliteit. De Vlaamse regering
gaat uit van een mogelijke kostprijs van ongeveer 600 miljoen euro.
Dit zou betekenen dat het saldo van de gemeenschappen en gewesten
met dit bedrag vermindert, maar er een equivalente verbetering
optreedt van het vorderingensaldo van de lokale overheden.
|
|